Walvisje Henkie

Ergens ver weg op de grote oceaan zwom een walvis, een hele grote. Als ze honger had, dan deed ze gewoon haar enorme bek open en hapte in een slok meer dan honderd visjes naar binnen. Lekker smullen was dat. Toch was deze walvis niet blij. Ze was bezorgd om haar kindje en ze was ook een beetje boos. Ze spoot een straal water omhoog en sloeg keihard met haar staart op het water, zodat er een grote golf ontstond. De vissen die achter de walvis zwommen, werden wild door elkaar geschud en vlogen door de lucht.
Ze keek opzij. Naast haar zwom een superklein walvisje. Dat was haar zoontje Henkie. Ze zuchtte nog eens diep en zwom extra hard verder. Henkie kon haar maar net bijhouden.
‘Mama, niet zo hard,’ schreeuwde hij. Maar mama hoorde het niet. Henkie zwom en zwom en zwom. Hij had nog nooit zo hard gezwommen. Toen zijn moeder even later wat rustiger zwom om uit te rusten, was Henkie uitgeput.
‘Heb je nu honger van het harde zwemmen?’ vroeg ze aan hem.
‘Henkie knikte alleen maar. Hij was nog te moe om te praten.
‘Ik ook,’ zei zijn moeder en ze deed haar grote bek open om even honderd visjes naar binnen te slokken. ‘Mm, lekker,’ zei ze. ‘Nu jij, Henkie.’
Henkie schudde met zijn kop. Hij lustte geen vis. Hij vond het gewoon vies en moest ervan kokhalzen.
‘Probeer het nog eens, alsjeblieft,’ smeekte zijn moeder.
‘Henkie deed zijn bek open, maar bij het eerste kleine visje dat naar binnen zwom, begon hij al te hoesten en te proesten. ‘Bah,’ zei hij en spuugde het kleine visje snel weer naar buiten. Het kleine visje zwom verbaasd weg. Hij was weer vrij.
‘Maar, je moet toch eten, jongen,’ zei zijn moeder wanhopig, ‘je groeit helemaal niet.’
‘Maar ik lust geen vis, mam. Het stinkt en het smaakt vies.’


‘Als je niet eet, dan ga je dood. Je moet echt eten.’ Ze wilde boos worden, maar zag dat Henkie dikke tranen huilde. Hij sloeg met zijn staartje op en neer en keek haar verdrietig aan.
‘Ach, jongen toch.’ Ze knuffelde haar zoontje. ‘We verzinnen wel wat. Misschien weet Metusalem een oplossing.’
Henkie knikte. Ze zwommen weer verder. Ze waren op weg naar een mooi wit strand met groene palmbomen in Amerika. Daar leefde Metusalem, een enorm oude en wijze octopus. Hij wist overal raad op. Tenminste dat zeiden ze.
Het was al donker toen ze aankwamen in Amerika. Half op het strand en half in het water lagen ze uit te rusten van de lange zwemtocht. Ze zagen de palmbomen en het strand was inderdaad mooi. Dit moest de plek zijn waar Metusalem leefde. Het duurde maar een paar minuten voordat Henkie en zijn moeder in slaap vielen. 

Toen Henkie de volgende ochtend al vroeg wakker werd, keek hij rond waar ze waren. Ze lagen op een stil strand. Er was niemand, maar verderop hoorde hij wel geluiden van mensenkinderen. Hij snoof eens met zijn neus. Het rook hier heerlijk, veel lekkerder dan vis. Die stonk alleen maar. Bah, vis was vies. Plotseling tikte er iets op zijn rug. Hij keek achterom en zag een enorme tentakel die uit de zee kwam en op zijn rug tikte. Hij schrok en schreeuwde zijn moeder wakker. Er kwam een oude octopus naar boven en zijn acht tentakels zwaaiden gevaarlijk heen en weer. Hij keek met zijn pikzwarte kraalogen naar Henkie.
‘Wat ben jij klein, jongen. Ben je wel een echte walvis?’
Henkie keek met grote ogen naar de oude, gerimpelde octopus. ‘Bent u Metusalem? U bent zeker wel honderd jaar oud?’
Metusalem moest lachen. ‘Ja jongen, ik ben Metusalem en al driehonderd jaar oud. Daarom weet ik heel veel.’
‘Sorry voor Henkie, meneer Metusalem,’ zei moeder Walvis die nu ook wakker was. ‘Henkie is soms wat brutaal.’
‘Ach, mevrouw. Het is een kind en kinderen zijn nou eenmaal ……… een beetje anders.’
‘Nou, mijn Henkie helemaal. Hij lust geen vis. Dat kan toch niet. Hij is een walvis, die eten alleen maar vis.’ Ze merkte dat ze weer boos werd. Waarom luisterde Henkie ook niet gewoon? Net als andere kinderen.
‘Vis stinkt en is vies,’ zei Henkie en stak zijn tong uit. ‘Bah. Maar hier ruikt het lekker.’
‘Mmm,’ zei Metusalem. Hij keek Henkie nadenkend aan en krabde even met drie tentakels tegelijk op zijn kop. ‘Dus jij vind het hier lekker ruiken?'
'Echt wel,' zei Henkie.
'Kijk eens die kant op, Henkie. Zie je daar heel ver weg die hoge paal staan met een gele letter bovenop.’
Henkie tuurde en zag wat Metusalem bedoelde. ‘Ja, ik zie het. Het is de letter M.’
‘Juist. Daar moet je even heen zwemmen en ruiken of het daar nog lekkerder ruikt.’
‘Ok√©.’
‘Blijft u maar even hier wachten, mevrouw. Henkie kan dit wel alleen.’
Moeder walvis vond het maar niks dat haar kleine zoontje helemaal alleen daarheen moest zwemmen. ‘Doe je voorzichtig jongen.’
‘Ja mam.’ Henkie zwom stoer weg. Hij keek nog even achterom en klapte, als groet, met zijn kleine staart op het water. Zijn moeder deed hetzelfde, maar zij had een enorm grote staart en de oude octopus vloog een stuk in de lucht.
‘Oh, help,’ gilde hij. ‘Rustig aan.’
‘Sorry, ik zwaaide alleen maar naar mijn kleintje.’
Ondertussen zwom Henkie naar de paal met de gele letter bovenop en elke keer als hij met zijn kop boven water kwam, rook hij dat lekkere geurtje. Hoe dichterbij hij kwam, hoe lekkerder het ging ruiken. Hij was er bijna en gluurde naar de mensenkinderen die er liepen. Hij durfde niet dichterbij te gaan. De kinderen waren allemaal aan het eten. Ze lachten en waren blij. Misschien vonden zij het ook zo lekker ruiken. Hij zwom weer terug naar zijn moeder.
‘En?’ vroeg Metusalem nieuwsgierig.
‘Het rook er heel lekker,’ zei Henkie. 'Echt wel.'
‘Dat dacht ik al,’ zei de oude octopus en hij verdween onder water. Toen hij na een klein poosje weer terug was, had hij in een tentakel een rode fles.
‘Dit is het tovermiddel voor jou,’ zei hij tegen Henkie. ‘Hierdoor ga jij vis lekker vinden.’
Henkie keek de oude octopus ongelovig aan en geloofde er helemaal niets van. Vis was vies en dat veranderde echt niet door zo’n rode fles.
‘Dit is tomatenketchup,’ zei Metusalem geheimzinnig. Plotseling ging zijn tentakel diep onder water, om een tel later weer naar boven te komen met een vis. Een haring.


Henkie keek ernaar en trok meteen een vies gezicht. Hij schudden met zijn kop. ‘Ik lust die niet. Hij stinkt.’
Metusalem lachte alleen maar. Hij draaide de dop van de rode fles en kneep een beetje rode tomatenketchup op de haring. Vervolgens hield hij de haring voor de neus van Henkie.
Henkie snoof en snoof. Hmm, dat rook wel erg lekker. Heel erg lekker en hij had honger. Met een snelle hap pakte hij de haring en slokte hem in een keer naar binnen. De octopus kon net op tijd zijn tentakel wegtrekken.
‘Hmm, dat was een lekker hapje,’ zei Henkie. Hij kreeg nu pas echt honger. ‘Heb je nog meer van die lekkere vissen?’
Zijn moeder kon niets zeggen, zo verbaasd was ze. Haar kleintje had net een haring gegeten en hij vond het lekker. Hoe was het mogelijk.
Metusalem knikte tevreden. Welk kind lustte er nou geen tomatenketchup, dacht hij? Hij stak zijn tentakel die de rode fles vasthield, uit naar Henkie. ‘Hier jongen, deze fles is voor jou. Een beetje tomatenketchup bij elke maaltijd en je wordt weer groter en gezonder.’
‘Dank u wel,’ zei Henkie.
Samen met zijn moeder zwom hij blij weg en als groet klapten ze tegelijk met hun staarten op het water. Een hard klap en een klein klapje.
‘Als de fles leeg is, dan kom je maar weer terug,’ schreeuwde de oude octopus hen na. ‘Er is hier een restaurantje en die hebben er genoeg.’
Vanaf dat moment at Henkie elke dag vis en hij groeide en groeide. Wel moest op elke vis een beetje ketchup. Dus als je nog een keer een vis ziet zwemmen met een rode vlek op zijn kop, dan is die vis ontsnapt aan de bek van Henkie.

Geen opmerkingen:

Een reactie posten