De giraffe zonder nek

Er was eens een girafje die had geen nek. Nou ja, een heel klein nekje dan. In het begin vond iedereen het schattig en later zeiden ze dat het vanzelf goed zou komen. Maar het kwam niet goed. Hij bleef klein en daarom werd hij ook gepest. Hij heette Bertje, maar ze noemden hem allemaal Erwtje, omdat ie zo klein was. Bertje kon niet bij de lekkerste blaadjes boven in de boom, in de klas moest hij vooraan zitten anders zag hij niks en gymmen kon kleine Bertje natuurlijk ook niet goed. Dat was allemaal niet zo leuk. 
Gelukkig had hij wel een vriend, Willie. Die pestte hem niet en wilde hem juist helpen. Willie verzon altijd de meest gekke dingen; hij wilde later uitvinder worden. En nu had hij een oplossing voor zijn vriendje.
'Kom maar mee,' zei Willie. 'Dan zal ik het je laten zien.'

‘Maar dat is een skippybal,’ zei Bertje verbaasd toen ze op een open plek in het bos kwamen.
‘Ja,’ zei Willie. ‘Maar geen gewone. Deze is opgeblazen met gas. Net als die ballonnen die in de lucht wegvliegen.’
‘Maar ik wil helemaal niet wegvliegen,’ zei Bertje. Hij werd nu toch een beetje angstig.
‘Nee, natuurlijk niet,’ zuchtte zijn vriend bij zoveel onbegrip. 'Jij zit er toch op. Dat is toch te zwaar om te vliegen. Maar wel om heel hoog te skippiën.’
‘Ik weet het niet hoor Willie,’ protesteerde Bertje.
Maar Willie zei: ‘Kom op, ga er eens op zitten en dan gewoon wat op en neer hupsen.’ 


En Erwtje... eh, ik bedoel Bertje, ging hupsen. En hij hupste zo boven Willie uit.
‘Wow,’ zei Bertje terwijl hij naar de lekkere blaadjes boven in de boom hupste.
‘Het gaat lekker Willie.’
Maar het ging wel een beetje erg lekker. Bertje ging steeds hoger en hij hoorde het geschreeuw van Willie niet. 

‘Stop,’ schreeuwde Willie. 'Je gaat veel te hoog.’
Maar het was al te laat. Bertje sloeg over de kop en lag languit in de struikjes.
‘Au, au,’ riep Bertje, ‘Dit is toch niet zo'n goed idee.’


De volgende dag had Willie weer een idee en nam zijn vriend mee naar de open plek in het bos.
‘Maar hoe gaat dat dan,’ vroeg Bertje aan zijn vriend toen hij een stapeltje takken zag liggen.
‘Kijk,’ zei Willie. 'Hiermee word je dus net zo lang als iedereen.’ Hij pakte vier lange stelten die hij had gemaakt van mooie rechte takken.
‘We binden ze gewoon vast aan je poten, dan ga je rechtop staan en klaar is Kees.’
Bertje keek een beetje wantrouwend. ‘Ik weet het niet hoor Willie.’
Maar Willie zei: ‘Kom op. Ga op de grond liggen, dan kan ik ze vastbinden.’
En met veel getrek en geduw stond hij even later te wiebelen op zijn nieuwe poten. Ja, hij was nu net zo lang als de andere giraffen, maar hij durfde nog niet te lopen.
‘Het is wel hoog,’ zei Bertje en voorzichtig deed hij een stapje. Beetje bij beetje lukte het om te lopen. 

De anderen zagen het nu ook. 
‘Hé, Erwtje, ga je vliegen?’
Hij vloog gelukkig niet, maar kon nu wel bij de lekkere blaadjes boven in de boom. Alleen kon hij nu niet meer iets van de grond oppakken; niet meer lekker door het zand rollen en ook niet meer gewoon in de klas zitten. Eigenlijk kon hij alleen nog maar rechtop staan en omvallen.
‘Willie,’ zei Bertje. 'Dit was heel spannend en leuk tegelijk en het waren heerlijke groene blaadjes, maar ik denk dat je toch wat anders moet verzinnen.’

En zo kwam het dat ze toch samen met de moeder van Bertje bij de professor zaten. Professor Diknek luisterde aandachtig naar hun verhaal en keek daarna heel lang naar Bertje. Bertje werd er verlegen van.
‘Ik ga je nek eens even onderzoeken. Blijf maar gewoon zitten,’ zei de professor en hij voelde en kneep en trok aan Bertje’s nek. Daarna pakte hij een dik boek en begon te lezen. De hele tijd mompelde hij ‘hm’ en ‘oh.’ Eindelijk keek hij op en zei: ‘Ja, ik denk dat het kan werken. We gaan proberen om jouw nek weer langer te maken.’
‘Dat zou prachtig zijn, dokter,’ zei de moeder van Bertje. 'Zeg maar wat we moeten doen.’
‘Ja mevrouw,’ antwoordde de professor. 'Dat is nog even niet makkelijk. Jullie moet er wel wat voor over hebben.’
‘Poeh,’ dacht Bertje. 'Ik heb er echt alles voor over.’ 

De professor legde uit dat het nekje van Bertje elke dag een heel klein stukje langer uitgerekt moet worden. Wanneer hij lang genoeg is, dan stop je gewoon.’
Nu wilde Willie ook wel eens wat zeggen: ‘Maar ja, hoe doe je dat dan.’ Willie kon zelf namelijk niks verzinnen.
De professor ging verder: ‘Hij krijgt van mij een speciale helm met een haak bovenop. Daarmee hang je Bertje aan een hoge tak in de boom. Dan maak je aan elke poot een zak zand vast. En heel langzaam zal je zien dat zijn kleine nek steeds verder wordt uitgerekt.’
Daar moesten ze even over nadenken.
‘Ma - ma – maar,’ stamelde Bertje die het niet zo zag zitten. 'Da - da - dan hang ik dagenlang helemaal alleen in het bos.’
‘Tja,’ zei professor Diknek, ‘ik denk dat je vriendje Willie je daarbij moet helpen.’

Ze bedankten de professor, namen de helm mee en gingen naar huis.
Dezelfde avond nog was het zover. Aan de rand van het bos hing een klein girafje, met een gekke helm op zijn kop, aan een hoge tak. Daarnaast stond een lange ladder, waar net een ander girafje opklom met een bordje eten. En zo werd, met de hulp van Willie, de nek van Bertje steeds iets langer. Na zeven dagen was het klaar. Bertje had nu een gewone, lange nek. Net als alle andere giraffen.
En … niemand noemde hem meer Erwtje.

3 opmerkingen: