De krokodil zonder tanden




‘Ik noem jou Woe, omdat je zo woest bent,’ zegt moeder Krokodil tegen de eerste die uit het ei komt.
‘En ik noem jou Wi, omdat je zo wild bent.’ Nog ÊÊn te gaan. 
‘En jou noem ik … noem ik … Li,’ omdat je zo lief bent. 
Woe en Wi groeien op als twee stoere jongens. Ze doen wilde spelletjes in het water en bijten voor de grap naar elkaars staarten. Hun zusje Li is toch wel een geval apart. Natuurlijk een meisje, die doet niet mee met die wilde spelletjes. Zij zit liever te knutselen. Maar er is nog iets. Bij de jongens groeien grote, sterke tanden om goed mee te kunnen bijten. En tja … bij Li niet. Li heeft gewoon geen tanden. Ook niet wanneer ze wat groter is en vis moet eten. Dat lukt dus niet. Li sabbelt maar een beetje en eet het liefst zachte dingen zoals bloemen langs de waterkant.

Woe en Wi gaan voor het eerst mee met hun vader naar de grote rivier.
‘Vandaag,’ zegt vader, ‘vandaag gaan we op jacht. Geen vissen meer vangen, maar kleine dieren zoals een waterrat of een bever.’
De jongens zijn opgewonden van de spanning. Li vindt het maar stom en zielig voor die beesten. Zij blijft wel thuis bij mama en ze sabbelt nog maar eens een geel bloempje weg.
Als de mannen weg zijn zegt moeder: ‘Li, het gaat niet goed zo. Je wordt steeds magerder. Ik kan al je ribben tellen. Misschien moeten we toch eens naar de tandarts voor een kunstgebit, dan kan je alles eten.’
Nou dat is het laatste wat Li wil, een kunstgebit, brrr … ze moet er niet aan denken. En dan zeker vis en vlees eten. Nee hoor, ze is best tevreden zo, met haar bloempjes.
‘Ah nee, ma,’ zegt ze, ‘ik zal wel beter mijn best doen met eten. Dan word ik vast wel wat dikker.’ 
Li gaat dus ook op pad. Niet op jacht naar kleine dieren, maar op zoek naar andere dingen die ze kan eten. 
Ze komt bij een plekje waar mensen aan de waterkant zitten te picknicken. Li zwemt naar boven en roept: ‘Joehoe.’ 
Maar die mensen vliegen er onder luid geschreeuw vandoor. Hun spullen staan nog gewoon in het gras. Daar tussen staat een grote zak met roze spekkies. 
‘Mooie kleur,’ denkt Li en ze likt eraan. 
Li wordt helemaal verslaafd aan spekkies en ander snoepgoed. Overal waar ze komt, hollen de mensen weg en laten dan al dat lekkers staan.
Li eet en eet en eet. Li wordt dikker en dikker en dikker.
Nu is er geen ribbetje meer te zien. Het gaat zo ver dat Li op een gegeven moment niet meer kan lopen. Ze is zo dik, dat ze eigenlijk alleen nog maar kan rollen. Pas dan beginnen bij Li de alarmbellen te rinkelen.
‘Ho eens even,’ denkt ze bij zichzelf, ‘dit gaat helemaal fout. Ik ben verslaafd aan de spekkies. Ik moet nodig afkicken.’
Maar dat is makkelijker gezegd, dan gedaan. Li komt in het behandelcentrum voor te dikke krokodillen. Allemaal dikke krokodillen. Sommige nog dikker dan zij. En bij iedereen wordt de eerste week de bek dicht gebonden met een touw. Dan kan je alleen maar water drinken door een rietje. Dat is helemaal niet leuk, maar het helpt wel. En wanneer dat allemaal achter de rug is, dan moet iedereen verplicht naar de tandarts. De meesten hebben veel losse kiezen en gaatjes van al het snoepgoed.
En Li ….
Li krijgt dus toch een kunstgebit. En ze eet ondertussen ook gewoon vis. Ze eet nooit meer spekkies, maar stiekem neemt ze nu af en toe een dropje.


Geen opmerkingen:

Een reactie posten