maandag 5 januari 2026

Het sneeuwvlokje

Ik ben een sneeuwvlokje dat danst in de lucht.
Naast mij zweeft mijn vriendje, ik zucht.
Ik wil hem omhelzen, maar weet niet hoe.
Dan waai ik met de wind langzaam naar hem toe.
Ik grijp, ik lach, we plakken aan elkaar.
Samen zijn we nu één sneeuwvlok.
Wij horen bij elkaar.

donderdag 1 januari 2026

Gelukkig nieuwjaar

‘Weet je wat?, zei een lief, klein vogeltje. ‘Ik ga dit jaar heel aardig doen, want dan doet iedereen ook aardig terug.’ Hij huppelde en fladderde van plezier. ‘Ik ga gewoon naar iedereen die ik tegenkom zwaaien,’ bedacht hij. Dat was nog eens een goed idee. Hij hipte een beetje rond, totdat er een egel aan kwam schuifelen.
‘Goedemorgen, egel,’ zei het vrolijke vogeltje en zwaaide met zijn vleugeltje.
De egel keek verrast op en er kwam een glimlach op zijn snuitje. 
‘Goedemorgen, vogeltje,’ zei hij vriendelijk.
Het vogeltje lachte. Zie je wel dat het helpt wanneer je aardig tegen iemand doet. Kijk, daar komt een eekhoorntje deze kant opspringen. Het vogeltje begon alweer te zwaaien.
‘Hallo, eekhoorntje.’
Het eekhoorntje stopte en stond voor het vogeltje. Even wat het stil, maar toen schoot hij in de lach.
‘Hallo, vrolijk vogeltje,’ reageerde hij en sprong vliegensvlug de bomen in.
Het vogeltje was nog nooit zo blij geweest. Zou het ook lukken met die hond die eraan kwam?
‘Dag, hond. Lekker weertje vandaag, hè?’
De hond stopte en begon voorzichtig te snuffelen aan het wild zwaaiende vogeltje.
‘Dag, vogeltje. Ja, lekker weertje.’ Er kwam een lach op zijn snuit en hij snuffelde weer verder aan de struikjes langs de kant van de weg. Hij moest nodig plassen en zocht een goed plekje.
Even schrok het 
vogeltje toen er een zwarte kat aan kwam sluipen. Zijn buik schoof over de grond. Maar het vogeltje was niet bang en zwaaide vrolijk naar de kat. 
‘Hoi, lieve kat. Wat zie je er mooi uit.’
De kat, die klaar stond om te springen naar het lekkere vogeltje, bleef stilstaan en keek verbaasd. Zei dat vogeltje nou dat hij er mooi uit zag? Dat was wel een aardige opmerking.
‘Hoi, vogeltje. Dank je wel.’ Even knarste hij met zijn tanden en gromde een beetje. Het vogeltje zag er wel lekker uit. Een echt feestelijk hapje. Maar de kat liep nadenkend verder. Er zijn vast nog wel meer vogeltjes of muizen om mee te spelen.
Het vogeltje zuchtte, Dat was wel even spannend.
De hond die een stukje verder een plekje had gevonden om te plassen, keerde weer om. Hij wilde het vrolijke vogeltje nog wel eens zien. Hij werd er zelf ook vrolijk van. Maar toen hij er was, zag hij het vogeltje niet meer. Wel een zwarte kat die wegrende. Hij schrok. De kat zou toch niet? Zo’n vrolijk vogeltje… Nee… Dat kon niet… Het aardige vogeltje was vast weggevlogen om ergens anders ook weer naar iedereen te zwaaien.

dinsdag 30 december 2025

De gewone oliebol

 

Pim was maar een heel gewone oliebol. Hij had geen krenten en geen rozijnen in zijn bol. Om nog maar te zwijgen van stukjes appel of sukade. Niets van dat alles. Daarbij was hij ook nog eens klein en een beetje taai. Dus een gewoon, eenvoudig, klein oliebolletje. Toch had hij iets bijzonders. Iets waarop alle andere oliebollen jaloers waren.

Lees maar gauw wat er zo bijzonder was aan Pim.
Het verhaal staat bovenaan in de linker kolom en het heet de oliebollenrace.

zaterdag 27 december 2025

Nijlpaard Nellie


Nijlpaard Nellie was geen lieverdje. Wanneer ze haar zin niet kreeg of wanneer ze gepest werd, dan kon ze ontzettend kwaad worden. En een kwaad nijlpaard wil je echt niet tegenkomen. Er was eens een aapje dat tegen haar zei: 'Hé Nellie, wat heb je dikke billen.'
'Wat zeg je daar,' brulde ze dan met de bek wijd open.
'Je hebt dikke billen,' zei het aapje nog een keer en rolde over de grond van het lachen.
Heel rustig liep Nellie naar het aapje toe en voordat iemand het in de gaten had, deed ze haar bek open en HAP. Weg aapje. In een keer doorgeslikt. Daar schrok iedereen van en vanaf dat moment kreeg Nellie altijd haar zin.
Toen het op een dag heel hard regende en er overal grote plassen lagen, schreeuwde Nellie om laarzen waarmee ze in de plassen kon stampen. 'Ik wil gele laarzen om in de plassen te stampen.'
Met haar moeder ging ze naar de schoenenwinkel en vroegen of ze ook gele regenlaarzen voor nijlpaarden verkochten. De verkoper keek zenuwachtig naar de twee nijlpaarden en zag de boze blik van Nellie. 'Misschien,' zei hij aarzelend, 'maar ik moet wel even zoeken in het magazijn'.
Nellie en haar moeder wachten rustig tot hij terugkwam en jawel, even later kwam hij terug met een grote doos regenlaarzen speciaal voor nijlpaarden. Hij was blij dat Nellie glimlachte.
De verkoper deed de doos open en zei: 'Het zijn alleen wel roze laarzen, maar dat is ook mooi, toch?'
Nellie haalde diep adem en brulde: 'Ik wil gele laarzen.'
De arme man viel ondersteboven door de wind die uit de bek van Nellie kwam en viel languit op de grond, vlak voor de poten van Nellie. Nellie keek ontzettend boos naar hem en deed haar bek wijd open. HAP. Weg was de schoenverkoper. In een keer doorgeslikt.

'Nellie toch,' zei haar moeder verschrikt, 'dat kan je toch niet doen?'
Maar vier winkels, vier schoenverkopers en vier happen later liet Nellie een grote boer door alles wat ze naar binnen had geschrokt en zag tot haar verrassing dat de laatste winkel gele laarzen voor haar had. Nu kon ze eindelijk dansen, stampen en springen in de plassen.
Dus wanneer je op vakantie lekker met een ijsje rondloopt in de dierentuin en je ziet een nijlpaard, pas dan maar goed op. Als het Nellie is en ze zegt: 'Ik wil jouw ijsje, dan zou ik het maar snel geven.'

zondag 7 december 2025

Rudolf het rendier

 

Nederlandse versie op de wijs van Rudolph the Red-Nosed Reindeer


Rudolf dat leuke rendier, met zijn rode neus voorop,
Trekt in zijn slee de kerstman, over elke heuveltop.

Vroeger had hij geen vriendjes, eenzaam was hij elke dag,
Tot op een keer de Kerstman, Rudolfs rode neusje zag.

Nu gaat hij steeds met hem mee, in de Kerstmistijd,
Trekt de Kerstman in zijn slee, als hij langs de wegen rijdt. 

Dan schijnt dat rode neusje, als een lichtje in de nacht,
Rudolf dat leuke rendier, heeft de kerstman thuis gebracht!


dinsdag 11 november 2025

RECEPT Pepernotensmikkelkruim

In een hoek van de kamer zit de smikkelpiet met een grote glimlach op zijn gezicht. Als je goed luistert hoor je kleine smikkelgeluidjes. Soms knort hij zelfs een beetje. In zijn hand heeft hij een zakje. Af en toe steekt hij zijn wijsvinger van de andere hand in zijn mond, om daarna de natte vinger in het zakje te steken. Als de vinger er dan uitkomt zit ie vol met lichtbruin pepernotensmikkelkruim. Hm. Het is zo lekker om die vinger dan weer in je mond te stoppen. Hm, smak, smik, jammie.
Maar heel soms is de smikkelpiet boos. Dan lacht hij niet en maakt hij geen smikkelgeluidjes meer. Dan gromt hij zelfs een beetje. Dat is wanneer het zakje met pepernotensmikkelkruim leeg is. Hij frommelt dan het zakje in elkaar en loopt met een boos gezicht naar de prullenbak.

RECEPT voor PEPERNOTENSMIKKELKRUIM

Benodigdheden:
Pepernoten
Houten plank
Theedoek
Hamer
Zakje of bakje
Natte vinger

Bereiding:
1. Koop een zak pepernoten of bak ze zelf
2. Leg de pepernoten bij elkaar op een houten plank
3. Bedek de pepernoten met een theedoek
4. Pak uit de schuur een hamer en doe voorzichtig
5. Sla rustig met de hamer op de theedoek alle pepernoten kapot
6. Ga hiermee door totdat de pepernoten kruimeltjes zijn
7. Verwijder de theedoek en bewonder het pepernotensmikkelkruim
8. Doe het kruim in een zakje of bakje 
9. Stop je vinger in je mond om hem nat te maken
10. Stop daarna je vinger in het kruim en smikkelen maar

maandag 3 november 2025

Het vreemde ding

Zomaar ineens stond hij daar. Midden op het erf van de boerderij. Het was een vreemd ding. De dieren snapten er niets van. Ze zagen een ton met zijwieltjes, twee armen en een hoofd dat een omgekeerde emmer was en de hele tijd ronddraaide. In het hoofd zat een oog. Soms rolde hij de ene kant op en dan weer de andere kant. Waarom deed hij dat en waarvoor?

De koe was de eerste die ernaartoe liep. Zij was groot en helemaal niet bang voor dat vreemde ding.
‘Boe,' zei de koe toen ze voor hem stond. 'Ik ben een koe en geef iedere dag melk aan de boer. Wat doe jij?’
Het ding zei niets en keek de koe alleen maar aan met zijn ene oog. Een beetje eng was het wel.

Even later probeerde de kip het. Als het ding gek ging doen, kon ze altijd nog wegfladderen.
‘Tok, tok,' zei de kip. 'Ik ben een kip en geef iedere dag een ei aan de boer. Wat doe jij?
Het ding zei nog steeds niets. De dieren werden steeds nieuwsgieriger. Het was tenslotte hun boerderij.

Het was de beurt van het schaap. Hij was lekker zacht met zijn witte krulletjes. Tegen hem zou het ding wel praten.
‘Bêh,' zei het schaap zo lief mogelijk. 'Ik ben een schaap en geef elk jaar wol aan de boer. Wat doe jij?’
Weer niets. Alleen maar dat draaiende hoofd met het loerende oog. 

Deze keer sloop de kat ernaartoe. Zij was een roofdier en zou dat vreemde ding wel eens even een lesje leren.
‘Miauw,' zei de kat een beetje streng. 'Ik ben een kat en jaag de muizen van het erf. Wat doe jij?’
Het ding keek de kat aan, maar deed verder niets.

Het was idioot. Ze stonden nu allemaal in een rondje om het vreemde ding heen, maar ze kwamen er niet achter wat hij deed. Totdat er een mug in de buurt kwam. Het kleine stekende beestje vloog heen en weer tussen de dieren en het vreemde ding. Het lukte niet om het beestje weg te jagen. Het was veel te snel. Het hoofd van het vreemde ding draaide mee met de mug en toen de mug vlak voor zijn oog langs vloog, stopte het hoofd plotseling met draaien. Het was alsof hij naar de mug keek. Plotseling begon er binnenin iets te zoemen. In een flitsende beweging kwamen de armen omhoog en klapten de beide handen van het vreemde ding keihard op elkaar. Pats.
Oei, de mug zat ertussen. Het was dus een muggenvanger.