Er is een heksje geboren

Het is midden in de nacht. Op een open plek in het bos dansen zes donkere gedaanten in het maanlicht. Het is een heksenkring. Alleen wanneer er iets belangrijks is, komen ze bij elkaar. En er is iets belangrijks. Iets dat al 300 jaar niet meer is gebeurd. Ze zijn er opgewonden van. Er is namelijk een heksje geboren. Zomaar ineens was ze er. Een lief, klein heksenmeisje. Met een mooie kromme neus, een prachtige puntige kin en schitterend piekhaar. Ze kan ook lekker hard huilen. Oh, geweldig. Ze houden allemaal van haar en willen haar aanraken, of lekker kriebelen, of gewoon even vasthouden. Ze noemen haar Knierpeknarp, maar haar troetelnaam is Knierpje. En allemaal zijn ze een beetje moeder, dan kan Knierpje bij iedereen echte heksendingen leren en de allerbeste heks worden die er ooit is geweest. Maar dat weet Knierpje allemaal nog niet. Zij drinkt lekker geitenmelk uit een flesje.
‘Nu wil ik haar even de fles geven.’
‘Nee, ik ben aan de beurt. Geef haar maar hier.’
‘En wanneer ben ik dan eindelijk?’
Alle heksen staan gebogen over het lieve, kleine baby'tje.
Knierpje laat een enorm grote boer. De dieren in het bos worden er stil van.
‘Goed zo, Knierpje,’ giechelen zes heksen tegelijk, ‘dat was een mooie boer.’

En zo groeit dat lieve, kleine baby’tje op tot een echt heksenmeisje. Ze leert heksensoep koken in een zwart keteltje, ze leert allerlei toverdrankjes maken in de meest gekke kleuren en geuren, ze leert hele rare toverspreuken en ze leert zelfs vliegen op een kinderbezem met zijvleugeltjes. Knierpje is heel gelukkig en houdt van al haar moeders.
Maar op een dag loopt ze door het bos op zoek naar kraaienpootjes en vleermuisvleugeltjes om ’s avonds een lekker soepje te maken, wanneer ze plotseling tegenover een jongen staat. Hij is daar gewoon aan het spelen.
‘Hoi,’ zegt hij, ‘wie ben jij en waarom heb je zo’n lange, zwarte jurk aan?’
Knierpje weet niet wat ze moet zeggen. Ze heeft nog nooit een ander kind gezien. Hij ziet er ook zo raar uit. Een platte neus, helemaal geen kin en zijn haren zijn tegen zijn hoofd geplakt.
‘Eh… ik ben Knierpje, een heksje.’
‘Ha, ha,’ zegt de jongen, ‘dat kan helemaal niet, want heksen bestaan niet.’
‘Echt wel. En ik kan ook toveren.’
‘Ja du-uh, dag Knierpje met je gekke verhalen.’ Hij draait zich om en loopt weg.
Knierpje staat te trillen van kwaadheid. Ze strekt haar handen naar hem uit en roept: ‘Kwatsie, patsie. Koetsie, poetsie. Jij bent foetsie.’ En weg is de jongen. Gewoon… poef… een rookwolkje… en weg.
‘Zo,’ denkt Knierpje, ‘puh, er bestaan echt wel heksen,’ maar ze was er wel een beetje van geschrokken en ging meteen naar huis.
Wanneer haar moeders vragen waar ze toch is geweest, zegt Knierpje: ‘Oh, nergens.’

Wanneer dit nou de enige keer was dat er iets geks is gebeurd, dan zou er misschien niet zoveel aan de hand zijn. Maar elke keer wanneer Knierpje iemand anders ziet, doet ze de foetsiespreuk. En bij de tiende keer vraagt ze zich af waar die mensen eigenlijk blijven. Zouden ze echt helemaal verdwenen zijn? Of zouden ze terug naar huis getoverd zijn? Dat moet ze toch eens vragen aan haar moeders.
Die avond, wanneer ze gezellig een glaasje paddenstoelensap drinken en gebakken torretjes oppeuzelen, vraagt Knierpje opeens: ‘Wat gebeurt er eigenlijk bij de foetsiespreuk?’
Dan wordt het stil, heel stil. Er kraakt geen torretje meer. Alle heksen zitten met grote ogen en open mond naar Knierpje te kijken.
‘Wat!’ zegt Knierpje en ze kijkt de kring rond. ‘Wat is er?’
Heel voorzichtig en heel zachtjes fluistert de oudste heks: ‘Hoe weet jij van de foetsiespreuk?’
‘Die heb ik in het verdwijnboek gelezen,’ zegt Knierpje, maar ze snapt ondertussen wel dat er iets vreselijks aan de hand is.
‘Daar mogen kinderen helemaal niet in kijken,’ zegt de heks en ze zucht diep. Ze zijn het ook niet gewend dat er kinderen rondlopen. Het is eigenlijk hun eigen schuld.
‘Goed Knierpje, dat kon jij misschien niet weten. Het is een verboden spreuk. Gelukkig heb je de spreuk nog niet tegen iemand gebruikt.’
Knierpje krijgt een rood hoofd en kijkt naar de grond. Eigenlijk zou ze wel in de grond willen zakken. Ze begint te huilen.
‘Oh Knierpje, zeg dat het niet waar is. Zeg dat je de spreuk nog nooit hebt gebruikt. Zeg het.’
Maar Knierpje zegt heel zachtjes: ‘Wel. Ik heb hem wel gebruikt.’

Dan vertelt de oude heks wat er gebeurt wanneer je de foetsiespreuk doet.
‘Elke keer dat je een kind laat verdwijnen met de foetsiespreuk verdwijnt het niet echt, maar verandert het kind in een baby-heksje. En ergens ver weg in een bos ligt het daar dan ineens, tot iemand het vindt.’
‘Maar,’ zegt een andere heks, ‘het kan weer hersteld worden. Er is een hele krachtige herstelspreuk. Daarmee worden de kinderen weer terug getoverd.’
Knierpje is blij dat er wat aan te doen is, dan zijn ze misschien ook niet meer boos op haar.
De oudste heks pakt het verdwijnboek, bladert er een poosje in en zegt eindelijk: ‘Ja, hier heb ik de spreuk. Nu allemaal even stil zijn.’
Ze gaat staan, steekt haar armen in de lucht en zegt met luide stem: ‘Muggie, puggie. Ruggie, luggie. Alle foetsies zijn weer teruggie.’

Dan horen ze een harde poef. Er verschijnt een rookwolkje en Knierpje is verdwenen. Op die plek staat nu plotseling een gewoon meisje in een wit jurkje. Met een gewone neus, een gewone kin en gewoon haar.
‘Waar ben ik?’ vraagt ze met een bang stemmetje.

1 opmerking:

  1. Super Jan!! Leuk geschreven joh, loopt lekker. Ik was benieuwd hoe het verder zou gaan. Geniaal gevonden!
    Liefs Joke

    BeantwoordenVerwijderen